Elkaar niks meer te zeggen

”We hebben elkaar nu niets meer te zeggen en ik zie u over een jaar terug”, zei de cardioloog tot mijn grote opluchting. Hij was tevreden over de resultaten van het Holteronderzoek. Hij was tevreden over mijn hartslag en er waren geen afwijkingen te zien. Eigenlijk was ik wel een klein beetje onrustig: stel dat er wel een afwijking gevonden zou worden? Maar tevredenheid bij de cardioloog en vooral bij mij: opluchting, dus! Een gemiddelde hartslag van 88. En dat is heel mooi, vond de cardioloog en ik ook. Want ik had die dag een paar keer flink doorgestapt met de hond en twintig kilometer hard gefietst en gelopen. Maar wel de ‘waarschuwing’ niet te veel en té ver. Ambitie is goed, maar (geniet) met enige mate en zeker op een gezonde manier.

tumblr_mi4kgatVMD1s39eoto1_500

Dagje met een holterkastje

Het was een verrassing toen ik vanuit cardiologie bericht kreeg om een dagje een holterkastje te dragen. Dat betekent dat 24 uur de hartslag wordt bijgehouden. Gewoon alles doen en bijhouden in een dagboekje  wat je doet.

Ik had al bedacht dat ik sowieso zou gaan sporten om mijn hartslag te testen en kijken wat er gebeurt.  Wat ben ik blij dat ik slechts een paar borstharen heb en zeker niet op de plekken waar de plakkers geplaatst worden. Een aardige vrouw plakte de plakkers op mijn borst, legde uit wat ik allemaal in het dagboekje moest noteren en ik mocht weer naar huis. Je voelt je toch wel wat ‘bekeken’. Ik fietste behoorlijk rustig terug naar huis en pakte een bak koffie. Het was een rustige dag en noteerde de wandelingen met de hond keurig in het boekje. Ik wilde mijn lijf toch wel even testen, je wordt immers bekeken. In de avonduren was het de beurt om even lekker keihard te sporten. Een soort bike-run. Eerst een rondje van 20 kilometer fietsen en daarna vijf hardlopen. Even lekker een uurtje knallen.

Ik stapte op mijn fiets om mijn lijf te testen. Eerst lekker infietsen en dan knallen op het Roodhuizerpad, proberen om mijn besttijd aan te scherpen. Snelheid van rond de veertig kilometer per uur en het wegtrappen van 300 watt. Nog vijf seconden eraf en ik sta in de top 10. Daarna de wielerschoenen uit en de loopschoenen aan en rennen maar. Een ruim rondje rondom het stadshart. Toen ik terug kwam bij het startpunt had ik ‘slechts’4.8 kilometer gelopen en dat is dus geen vijf kilometer, dus nog maar een rondje er achteraan. Heerlijk! Tevredenheid voert de boventoon, vooral mijn vlakke hartslag. En dat was al heel lang geleden dat het zo was.

hardlopen-8

Geslaagde test 5 mijl

Ik heb doelbewust gekozen voor een logische opbouw naar de halve marathon van Zwolle in juni. Tegen die tijd wil ik weer helemaal terug zijn na de ablatie van januari. Herstel kost volgens de cardioloog zo’n drie tot zes maanden. De fysiotherapeute zei dat ik toptijden dit jaar wel vergeten omdat mijn lijf veel energie nodig heeft om de verwondingen aan mijn hart te herstellen. Dat het energie kost heb ik gemerkt. Dus keek ik met de nodige spanning uit naar de eerste test over vijf mijl als voorbereiding richting Stationsloop over de dubbele afstand. Met een tijd onder 45 minuten zou ik heel tevreden zijn. Heel tevreden zelfs. Vorig jaar liep in Zwolle-zuid een 42-hoog, een tijd die er nu niet in zou zitten. Ik wilde beheerst van start gaan omdat de eerste kilometers nogal druk zijn en veel inhalen energie kost en niets oplevert. Het voelde als beheerst lopen, maar toch de eerste kilometers vlak boven de 5 minuten. 15.30 na drie kilometer vond ik wat te snel gaan en liet het tempo wat zakken tot een ‘veilig’ tempo rond de 5.30 minuut/km. Ik wilde een negatieve ervaring koste wat het kost voorkomen. Op de Schellerdijk werd ik door een aantal lopers ingehaald en wist mijzelf in te houden om aan te klampen. Doelbewust vasthouden aan het tempo dat ik had gekozen. Tussen kilometer 4 en 8 zat slechts een marge van 5 seconden. Op kilometer 6 rekende ik uit dat ik een 43 kon lopen met een hoge 31 minuten. Het verbaasde mij dat het zo goed ging. Ondanks dat ik wellicht mijn parkoersrecord had kunnen verbeteren bleef ik hetzelfde tempo vasthouden. Uiteindelijk kwam ik in 43.08 over de finish. Slechts 13 seconden ‘te kort’.

Het belangrijkste is toch wel het goede gevoel dat overheerst. Met deze tijd kan ik verder in de voorbereiding op de Stationsloop van Ommen naar Dalfsen op 25 mei om daar te proberen mijn toptijd op de tien mijl (1.26.25) te benaderen om vervolgens half juni eindelijk onder de 1.55 te duiken. De komende tijd de trainingsactiviteit maar wat verder uitbreiden naar de langere afstanden. Het gevoel is in ieder geval goed.

Toch naar het ‘kneuzenclubje’

Vanaf dinsdag gaat het gebeuren: ik ga acht weken aan de slag in het Leef en Beweegcentrum van de Isala Klinieken. Vlak na de operatie hadden ze al eens gebeld en na rijp beraad (en een goed gesprek met Jenco van Zalk) heb ik me aangemeld bij ‘de club’, wat ik aanvankelijk had ingeschat als een soort ‘kneuzenclubje’. Don’t shoot me! Natuurlijk weet ik dat veel mensen hun vertrouwen kwijt zijn na een hartoperatie en dergelijke en ik waardeer het dat ze vol goede moed (strijd en passie) aan de slag gaan om weer terug in het normale leven te komen. Maar ik vind mezelf géén patiënt, noch ziek. Ik wil gewoon weer lekker gaan sporten, maar wel op een manier die verantwoord is. En dan het liefst eerst inspanning onder een gecontroleerde omstandigheid.

Iedereen roept tegen mij dat ik rustig aan moet gaan doen en de tijd moet nemen. Dat heb ik inmiddels gedaan! Vind ik persoonlijk en wil gewoon weer lekker gaan sporten en mijn lijf uitdagen. Dus ik heb me aangemeld om te kijken hoe mijn hart reageert op inspanning. Ik had er op gerekend dat ik lekker mocht gaan sporten en dat de sportarts mij een halt zou toeroepen als ik té ver of té diep zou gaan. Maar voor het zover is moet ik nog wel wat informatieochtenden door zien te worstelen. Ik had verwacht dat ik lekker aan de gang mocht. Pas volgende week vrijdag mag ik de fietstest doen. Even lekker knallen om te kijken hoe mijn hartslag reageert op inspanning en daarna volgen negen trainingen. Ik hoop dat ze een loopband hebben, trouwens.

Inmiddels ben ik er wel uit om onder gecontroleerde omstandigheden weer mijn eerste sportkilometers te gaan maken. Iemand die tegen mij zegt dat het te gek wordt en aan de rem trekt. Motivatie heb ik niet nodig om te gaan sporten. Als het aan mij had gelegen trok ik volgende week weer de loopschoenen aan. Maar ik wacht nog even de fietstest af om te kijken wanneer ik weer kan gaan lopen. Ik heb geen enkele behoefte om mijn hart te hard op te jagen met desastreuze gevolgen. Dus in ieder geval houd ik mijzelf nog een weekje koest.

Ps: voor diegene die zich stoort aan de term ‘kneuzenclubje’ wil ik mijn excuses aanbieden en voor de goede lezer: kneuzenclubje staat tussen aanhalingstekens.

Ik wil zo graag….

Ik zie ze iedere dag lopen, de hardlopers in het Weezenlandenpark. Ze dribbelen heerlijk door het park en pijnigen het lijf. En ik, ik loop met de hond en probeer zo wat kilometers te maken. En ondertussen kijk ik naar de hardlopers en wil meedoen. Ik wil mijn kilometers weer maken. Maar ik sta aan de kantlijn. Hoelang nog? Okay, het is nog geen twee weken na mijn ablatie en ik moet herstellen. Hoelang nog? Morgen word ik gebeld door het Leef en Beweegcentrum van Isala om te kijken wat zij voor mij kunnen betekenen. Niet om mij aan te zetten om te gaan bewegen, maar juist om wat af te remmen. Ik wil verantwoord weer gaan sporten. Om een doel te hebben heb ik mij alvast ingeschreven voor de Stationsloop op 25 mei. Anderhalve week voor de halve marathon van Zwolle, waarvoor ik mij aan het eind van de maand in ga schrijven. Ik ga er vanuit dat ik tegen die tijd weer in vorm ben. Ondertussen houd ik met wandelen mijn hartslag nauwlettend in de gaten. Mijn hartslag fluctueert nogal en moet bij wandelen stabieler worden voor ik weer kan gaan hardlopen. In het beweegcentrum kunnen ze mij testen om gezond weer aan het sporten te komen. Een kleine bekentenis van mijn kant: ik kan het soms niet laten en trek af en toe een kort sprintje.

Vooralsnog is mijn motto:

10416615_4336872876573_7452824449718037176_n

 

Hoofdprijs voor zwoegen

Als voor zwoegen een prijs zou bestaan dan had ik zondag in Egmond de hoofdprijs gepakt. Na tien kilometer kramp in mijn bovenbeen, na vijftien kilometer pijn in mijn lies en op de Bloedweg kon ik bijna niet meer het ene been voor de andere zetten. Met mijn medezwoegers in de laatste kilometers en velen blikten op hun horloge over het tijdverlies. Tien minuten, een kwartier; niemand kon ook maar enigszins zijn of haar eigen Egmondse (top)tijd benaderen. Ik was na tien kilometer al bijna evenveel minuten kwijtgeraakt en liep de laatste kilometers om geen tijd meer te verliezen. De energie was al opgebruikt in het stuk tegen de wind in. Zelfs de toppers raakten veel tijd kwijt op de strand met de straffe tegenwind. Ik zweer het: de kilometertijden gingen met een minuut naar beneden. Steeds weer proberen dekking zoeken achter anderen, proberen achteraan in een groepje te lopen en vooral uit de wind te blijven. Mijn horloge had ik verborgen onder mijn jack om maar steeds niet te kijken hoe langzaam het ging.

Ik had zondagmorgen mijn eerste blik al naar buiten gericht en zag hoe strak de vlaggen aan de masten hingen en als je weer waar het strand is, dan weet je ook hoe de wind waait. Zwaar tegen. Vrijdag had ik al het strand verkend en toen was het zwoegen tegen de wind in. Even twee kilometer tegen de wind in en terug. En zondag moest ik nog vijf kilometer verder rennen. Daarom ging ik behoorlijk conservatief van start op het nieuwe parkoers. Niet meer een rondje door Egmond, maar direct van de start naar het strand. Vijfhonderd meter en dan al de wind op de kop. Dus nog nauwelijks warm. In kilometer 2 was ik al een dikke halve minuut kwijt en dan verschil liep op tot bijna een minuut langzamer dan de eerste kilometer. Ik verstopte mijn horloge onder mijn jack en zwoegde door. Dekking zoekend achter andere lopers, vooral links achterin de groep en zo af en toe versnellend. Ik wist dat ik veel tijd verloor, maar ook energie. Winkracht 5 kost 25% meer energie en dat betaal je dubbel en dwars terug. Vooral als er tussen de zeven en tien kilometer nog een aantal klimmetjes wachten. Het parkoers was veranderd en dat betekende meer klimmen dan voorheen.  De heuvels zorgden voor kramp in mijn bovenbeen en de kilometers daarna voor pijntjes in de lies.

De laatste tien kilometer kregen we de wind van achteren; maar ik wist dat ik slechts 60% van het verlies kon goedmaken, maximaal. Tien kilometertijd plus drinkstops, een plaspauze en energieverlies levert een kilometertijd op van tegen de zes minuten. De laatste zes kilometer werd het echt zwoegen, maar gelukkig is het aftellen. 16+5, 17+4 etc. De Bloedweg werd een kwelling, maar daar hadden meer last van. Waar ik de voorgaande jaren in de laatste kilometer nog wat kon versnellen liet ik dat nu maar zitten en liep gewoon de 21 kilometer uit in de slechtste tijd op een halve marathon. Het os en blijft Egmond.

http://www.saucony.nl/nl_NL/egmond-half-marathon/?r=4045&e=EH16HM&n=Rein+Tuininga&ct_s1=12:34:20.43&ct_f=14:44:33.13&ct_s2=13:37:32.15&ct_s3=14:07:13.42&ct_s4=14:34:15.50&ct_s5=14:39:29.63&ct_s6=14:39:35.13&k=commercial&l=NL&gotostream=false

Het schone schoenen-syndroom

Tot de nek door de drek, zou erg was het nou ook weer niet; maar een blubberige boel was het wel in Ommen. Ik weet wel dat ik het liefst een beetje schoon blijf met hardlopen. Het schone schoentjes-syndroom? Even voor de goede orde: een mudrun? Nooit!

Maar toch liet ik mij verleiden tot een crossloop over vijf kilometer en dat heb ik geweten. Zweten is niet erg, maar die opspattende drek is niet mijn ding. De eerste kilometer ging lekker tot de eerste drekplassen zich aandienden. Het werd slalommen om drekkige plassen heen terwijl ik werd ingehaald door lopers die in volle vaart door de modder stampten. Links en rechts van het pad, zoekend naar hardere stukken om over te lopen kostte een hoop tijd en energie. Ik had weinig zin om echt smerig te worden. Opspattende modder, beter gezegd blubber, tegen mijn benen en op mijn bril. Toen er ook nog wat kleine heuveltjes bij kwamen ging het tempo er echt uit. Jammer dan, ik wilde wel een beetje schoon aan de finish komen. Het werden drie kilometer blubber-hel voor mij. Tot ik na kleine vier kilometer een hele grote blubberplas zag. Voorzichtig er langs, via de kant probeerde ik relatief schoon te blijven. Een vrouwelijke hardloopster probeerde het ook. Verlies moet je soms voor lief nemen.

De hoop op een goede tijd had ik al lang opgegeven. Ik verloor minstens twee minuten door om alle drekbende heen te slalommen of door de struiken te worstelen. Er zullen best mensen zijn die het fantastisch vinden om in de drek te duiken, maar het is niks voor mij is mij zaterdag duidelijk geworden. Een kilometer of zeven over het strand rennen vind ik niet erg, maar uit de bossen blijf ik wel tot het weer voorjaar wordt en de bospaden gewoon begaanbaar zijn.

En ja, je kunt ook nog je schoen verliezen in de blubber.